Een betonlooktegel is geen beton. Het is een gebakken tegel van fijne klei, kwartszand en
aardpigmenten, met de tekening van beton op het oppervlak. Dat gaat in vier stappen.
Eerst worden de grondstoffen onder hoge druk tot een plaat samengeperst. Er zit daarna
bijna geen lucht meer in de tegel, en dat maakt hem sterk en dicht. Dan de print: van een
echte betonvloer wordt een scherpe foto gemaakt, die met keramische inkt op de tegel wordt
gedrukt. Keramische inkt is geen verf, maar een mengsel van mineralen en metaaloxiden, hetzelfde soort kleur als in een oude aardewerken schaal. Daarover komt een dunne matte
deklaag, vaak met licht reliëf, zodat je de structuur ook voelt. Als laatste gaat de tegel
de oven in, op zeer hoge temperatuur. Inkt, deklaag en tegel smelten daar tot één geheel.
Daarom kan de betonlook er niet af. Het patroon ligt niet op de tegel zoals een
sticker of een laklaag, maar zit in het oppervlak versmolten: er is geen laagje dat kan
loslaten. Wat na jaren wél kan gebeuren, is dat het oppervlak in een looppad iets doffer
wordt. Hoe goed een serie daartegen kan, lees je af aan de slijtvastheidsklasse (PEI): voor
een woonkamer volstaat klasse 3, en bij een hal waar veel zand van buiten komt wil je
klasse 4. Bij doorgekleurde tegels vind je die klasse niet: PEI meet
glazuurslijtage, en die tegels hebben geen glazuur. Zonlicht doet er niets mee, want
mineraalpigmenten verbleken niet zoals verf.
Het persen en bakken leveren nog iets op: een betonlooktegel voor de vloer is doorgaans
porselein, de dichtste soort keramiek, en die neemt vrijwel geen vocht op, minder dan een
half procent van zijn eigen gewicht. De tegel is zo dicht dat er bijna niets in kan trekken.
Rode wijn, olijfolie of een ongelukje van de hond blijft dus op de tegel liggen in plaats van
erin te zakken. Alleen de voeg vraagt aandacht, want die is poreuzer dan de tegel zelf. Voor
de wand geldt dit niet altijd: wandtegels zijn niet standaard porselein en nemen dan wel
vocht op.
Eén woord dat je op veel productbladen ziet: gerectificeerd. Dat betekent
dat de randen na het bakken machinaal recht zijn geslepen, zodat je een smalle voeg kunt
maken. Smal, niet weg: de voeg vangt de beweging van tegel en ondervloer op, en zonder voeg
komt er spanning op de randen te staan. Binnen houdt een tegelzetter meestal 2 tot 3 mm aan,
met vloerverwarming eerder 3 tot 4 mm, en buiten minimaal 5 mm. Bij een niet-gerectificeerde
tegel gaat de voeg ruimer, omdat de maten onderling een fractie verschillen.